De Bruine Buck: Groenendaeler




De Groenendaeler Geschiedenis


De Standaard









De Groenendaeler Geschiedenis

Tijdens de eerste speciale tentoonstelling in 1892, werd de eerste prijs toegekend aan een mooi klein zwart hondje, drie jaar oud en eigendom van Nicolas Rose, peetvader van de Groenendaeler. Hij was uitbater van een hotel-restaurant, het Kasteel Groenendael, een overblijfsel van de Abdij van Groenedael en eigendom van de staat, een tien kilometer ten zuiden vn Brussel. Dit teefje was de bewaker van een schapenkudde toen ze nog toebehoorde aan de herder DE Beeck, van het gehucht Hannonsoort, in de buurt van La Hulpe M.P.Beernaert, inwoner van Ukkel en eerste secretaris van de Club du Chien de berger belge, die eveneens zeer actief was voor het reconstueren van de herdershond samen met professor A.Reul, bracht uit Feluy-Arquennes, een hond mee met zwart lang haar. Hij droeg de naam Picard. M.P.Beernaert nam hem met zich mee om hem af te staan aan M.N.Rose. Toen hij onderweg was om dit te doen hielt hij halt te Ukkel, vandaar de naam Picard DUccle, die hem beroemd maakte De beroemde Picard dUccle, is de vader van de mooie varieteit van langharige herdershonden, genaamd Groenendaal, is op een tragische manier gestorven, gedood door een geweersschot. En van zijn zonen, Carlo, eveneens een bijzonder mooi individu van het ras, was enkele dagen tevoren teruggekeert naar de kennel eveneens met een schotwond Picard dUccle werd samengebracht met Petite. Zij gaven leven aan een uitmuntende familie zwarte honden, onder dewelke zich de beroemde DUC de Groenendael bevond. Hij werd geboren op 1 mei 1893, hij had mooie kleine oortjes maar werd versierd met een enorme witte vlek op de borstkas. Vele andere mooie honden zijn het product van koppelingen van Picard en verschillende andere teefjes aan M.N.Rose ( we denken hierbij aan Moll en Nette). Ze zijn zwart, goed gebouwd, levendig en voorzien van een expressieve uitdrukking.

Bronvermelding: Dit artikel is overgenomen uit de Belgische Herder Special







Standaard van de Belgische Herdershond 1989

Voorkant van de hond

Algemeen Voorkomen
Middelgrote, evnredig gebouwde hond, intelligent, stoer, gwend in de buitenlucht te leven, geschikt om de wisselende seizoenen en de wisselende omstandigheden van het Belgische klimaat te weerstaan. Door zijn harmonieuze bouw en zijn fier gedragen hoofd geeft de Belgische herder de indruk van een sierlijke en toch robuuste hond, hetgeen het erfdeel is geworden van met zorg geselecteerde honden van een werkras. Hij heeft de aangeboren geschiktheid als kuddehond, maar beschikt daarnaast ook over de zo belangrijke eigenschappenvan een goede bewaker van huis en haard. Zonodig is hij zonder aarzelen de vastberaden en hardnekkige verdediger van zijn baas. Hij is waakzaam en oplettend; uit zijn levendige en onderzoekende blik spreekt zijn intelligentie
Hoofd
Het hoofd is fijn gebeiteld, lang zonder overdrijving,droog. De schedel en de voorsnuit zijn ongeveer even lang met ten hoogste een klein verschil ten voordele van de snuitlengte. Dit geeft het geheel de indruk van een fijne afwerking.
Neus
De neusspiegel: zwart,neusgaten goed geopend.
Snuit
Middelmatig lang, zich naar de neus toe geleidelijk versmallend. De neusrug is recht: van opzij gezien loopt de neusrug parallel aan een denkbeeldige lijn getrokken in het verlengde van de schedel. de bek is goed gespleten.
Lippen.
Dunne huid, goed aangesloten, sterk gepigmenteerd, het rood aan de binnenzijde van de lippen mag niet zichtbaar zijn.
Wangen.
Droog, zeer vlak maar wel gespierd.
Gebit
De kaak is voorzien van sterke en witte regelmatige tanden, die stevig zijn en ingeplant in goed ontwikkelde kaakbeenderen. Schargebit, d.w.z. dat zijn de snijtanden van de bovenkaak over die de onderkaak moeten glijden zonder echter kontakt te verliezen. Een tanggebit is toegestaan; door de schaapherders en veedrijvers wordt aan een tanggebit de voorkeur gegeven.
Stop.
Matig, maar duidelijk gemarkeerd.
Wenkbrauwogen.
Niet vooruitsteken,de snuit goed gebeiteld onder de ogen.
De schedel.
Middelmatige grootte, in verhouding tot de lengte van het hoofd, van voren bezien is de schedel eerder afgeplat dan rond, met een weinig afgetekende voorhoofdsgroef,van opzij loopt de schedel aan de denkbeeldige lijn getrokken in het verlengde van de voorsnuit.
Ogen
Matig groot, niet uitpuilend noch ingezonken, licht amandelvoormig, kleur bruin, liefst donkerbruin, oogranden zwart. De blik is frank, levendig,intelligend en onderzoekend.
Oren
Duidelijk driehoekig uitziend, strak rechtop gedragen, hoog aangezet, van evenredige lengte, oorschelpen goed afgerond aan de basis.
Nek
Zeer licht gebogen.
Voorhand
Stevige botten, sterke en droge bespiering.
Schouders
De schouderbladen zijn lang en schuin geplatst, goed vlak aanliggend en vormen met de opperarm een hoek die voldoende open is om ruimte te geven aan de ellebogen.
Opperarm-benen
Moeten zich in een volkomen rechte lijn, parallel aan de lengteas van het lichaam bewegen.
Voorbenen
Lang en goed gespierd.
Middenvoeten.
Sterk en kort, de gewrichten zijnglad zonder sporen van rachitis.
Voeten.
Bijna rond, de tenen zijn gebogen en goed gesloten. de voetzolen zij dik en veerkrachtig, de nagels donker en sterk.

Midden van de Hond

Lichaam.
dit is fors zonder zwaar te noemen. De lengte van de schoudertop tot an het uiteinde van het heupbeen is ongeveer gelijk aan de schofthoogte van een reu. Bij de teef mag deze afstand iets langer zijn.
Voorborst
Van voren gezien niet breed, maar ook niet smal.
Borst.
Niet breed, maar daarentegen diep en laag, zoals bij alle dieren die een groot uithoudingsvermogen moeten hebben. De borstkas is begrensd door de ribben, die aan de bovenzijde gewelfd moeten zijn.
Schoft.
Goed afgetekend
Rugbelijning.
Recht breed en gespierd.
Buik.
Matig ontwikkeld, niet afhangend, maar ook niet opgetrokken, van de borst naar de buik in een vloeiende gebogen lijn verlopend.

Achterkant van de hond

Kruis.
Zeer licht ellend, breed zonder overdrijving.
Achterhand
Krachtig zonder zwaar te zijn, zich in de zelfde lijn van de voorbenen bewegend. De achterbenen staan loodrecht op de grond
Dijen.
Breed en sterk bespierd. De kniegewrichten bevinden zich ongeveer loodrecht onder de heupen.
Benen.
Lang,breed, gespierd met een goede hoeking in het spronggewricht, echter zonder overdrijving. De sprongen zijn laag geplaatst, breed en gespierd. Van achteren gezien zijn ze absoluut parallel
Middenvoeten.
Stevig en kort. Hubertusklauwen zijn ongewenst.
Voeten.
Iets ovaal van vorm, ronde en goed aangesltenen, dikke en veerkrachtige voetzolen. Nagels donker en sterk.
Staart.
De staart is goed ingeplant, bred bij de aanzet, van middelmatige lengte. In de rusthangt de staart met en licht gebogen uiteinde ter hoogte van de sprongen; in de beweging wordt de staart hoger gedragen, het uiteinde is meer gebogen, hoewel hij nimmer een haak of ander afwijking mag vertonen.
Afmetingen.

De gewenste grootte is gemiddeld:
62 cm voor de reuen.
58 cm voor de teven.
Afwijkingen naar beneden 2 cm en naar boven 4 cm.
Gangwerk.
Het gangwerk is levendig en vrij, zoveelmogelijk grond beslaand. De Belgische herder is voortdurend in beweging en lijkt onvermoeibaar. Door zij uitbundige temperament heeft hij de neiging zich meer in cirkels dan in rechte lijnen te bewegen.

Deze rasstandaard is overgenomen uit Belgische herder Special van de NVBH.








Return Home
Previous Page